Mei 2018 Insomnia Saga Maand: Special #3 – SNEAK PEEK Somnus + Lichtwandelaar

Ja, het is alweer zover – de vijfde en  daarmee allerlaatste week van mei is aangebroken! Dat betekent dus ook dat vandaag het laatste artikel van de Insomnia Saga Maand gepubliceerd zal worden…

Maar we eindigen deze maand met een knaller, durf ik wel te zeggen – de eerste twee weken hebben jullie een kijkje kunnen nemen achter de schermen van het schrijfproces van Insomnia en Nachtwandelaar, in de derde week hebben jullie van alles kunnen lezen over de lichtspreuken van de Uitdrijvers en sinds vorige week weet je precies wat het is om een Uitdrijver te zijn en heb je een aantal weetjes gelezen over Nachtsluipers.

We eindigen deze maand echter op een hele andere manier: namelijk met sneak peeks! Vandaag deel ik het eerste hoofdstuk van Somnus, het vervolg op Insomnia, en het eerste hoofdstuk van Lichtwandelaar, het vervolg op Nachtwandelaar. Als je het boek van Insomnia hebt gekocht, heb je het eerste hoofdstuk van Somnus natuurlijk al kunnen lezen, maar vandaag is wel de allereerste keer dat ik een hoofdstuk van Lichtwandelaar vrij geef (ken je het hoofdstuk van Somnus al, scrol dan een stuk naar beneden tot je het kopje “Lichtwandelaar SNEAK PEEK” tegenkomt).

Houd echter wel in je achterhoofd dat dit de allereerste versies van de hoofdstukken zijn; ze zijn dus nog niet officieel geredigeerd en in de uiteindelijke versies die volgend jaar in de boeken verschijnen, kunnen er hier en daar aanpassingen zijn gedaan.

Ben je er klaar voor? “Peek” dan even snel hieronder… 😉

 

Somnus SNEAK PEEK: HOOFDSTUK 01

Dampwolkjes kringelen uit mijn mond en mijn ogen dwalen over de besneeuwde straat. Het is nacht. De lantaarnpalen verspreiden een zachte gloed en er zijn geen voetstappen te bekennen in de sneeuw. Niet van mensen.

    Niet van Nachtsluipers.

    De afgelopen uren is de sneeuwval zo hevig geweest dat de sporen van de afgelopen dag verborgen zijn geraakt onder een witte laag. Om deze tijd is er niemand meer op de been.

    Behalve Kay en ik.

    Ik kijk naar hem opzij. We zitten neergehurkt op het platte dak van een snackbar. Hij heeft de capuchon van zijn lange, zwarte jas over zijn hoofd getrokken tegen de kou, waardoor ik alleen zijn profiel kan zien. De krachtige en toch verfijnde trekken van zijn gezicht, zijn lange, smalle neus. Hij blijft geconcentreerd naar het grote winkelcentrumcomplex aan de overkant staren.

    We zijn in Miller, één van de steden die aan Somnus grenzen. Dit is de zoveelste keer in weken dat we de stad bezoeken. Een half jaar geleden, vlak na de gebeurtenissen in het kasteel, hebben we ons eigen verzetsleger opgericht: Insomnia. Via social media roepen we Slaapwandelaars op om zich bij ons aan te sluiten en samen de wereld veiliger te maken door de Nachtsluipers te verslaan die aan de Uitdrijvers weten te ontsnappen.

    Inmiddels hebben we al tienduizenden volgers. En honderdduizenden haters.

    Kay en ik reizen van hot naar her en hebben samen al tientallen Nachtsluipers verdreven, uit naam van Insomnia. Telkens weer moeten we echter oppassen dat we niet ontdekt worden – na het incident van de afgelopen zomer, zijn we praktisch gezochte misdadigers en onze gezichten zijn meer dan eens getoond op tv en in kranten.

    Ik wend me weer tot het winkelcentrum. Het is een moderner gebouw dan je meestal aantreft in Miller; de meeste bouwwerken hier hebben trappetjesdaken, zijn afgewerkt met verweerd hout en zelfs in de duisternis van de heiige nacht, kan ik in de verte meerdere torens van kerken de lucht in zien reiken.

    In het nieuws gisteren zagen Kay en ik dat er een Nachtsluipernest is aangetroffen in de ondergrondse parkeergarage van dit winkelcentrum; hoewel het niet bekend is waar alle Nachtsluipers overdag naartoe verdwijnen, weten we wel dat sommigen zich overdag op donkere locaties vestigen. Dat kunnen grotten zijn, maar ook gebouwen.

    Dit Nachtsluipernest is gevonden door een man die de fout maakte om vroeg op de ochtend, vóór zonsopgang, naar de parkeergarage te gaan. Het bleek dat hij daar de dag ervoor een gestolen auto had achtergelaten en in zijn paniek was vergeten zijn drugslevering mee te nemen. Hij wilde het pakketje gauw ophalen voor de drukte van alledag weer begon – maar had niet verwacht dat uitgerekend die nacht de parkeergarage opgeëist zou worden door een stel Nachtsluipers.

    Het blijkt dat ze hem gemarkeerd hebben. De man is nu een kersverse Slaapwandelaar en opgesloten in de gevangenis. Omdat hij een drugskoerier was, zegt de politie. Door zijn stomme actie is het echter duidelijk dat hij een beginneling in de drugshandel was, en dat doet me betwijfelen of de overtredingen die hij begaan kan hebben zwaar genoeg zijn om hem in de gevangenis te doen eindigen, maar tegenwoordig grijpen ze ieder excuus aan om een Slaapwandelaar op te kunnen sluiten.

    We hadden praktisch al geen rechten, maar onze leefomstandigheden zijn alleen maar slechter geworden.

    Daarom komen we in verzet.

    Om te bewijzen dat we geen monsters zijn.

    ‘De Nachtsluipers lijken niet van plan om naar buiten te komen,’ fluister ik.

    ‘Dan moeten we naar binnen,’ bromt Kay.

    Mijn maag verkrampt en misschien is het mijn verbeelding, maar het tintelende gevoel in mijn littekens lijkt opeens toe te nemen.

    Vroeger, toen ik voor de Uitdrijvers werkte, was ik nooit nerveus voordat ik de strijd aanging met een Nachtsluiper. Op de één of andere manier wist ik altijd kalm te blijven. De angst kwam pas als ik tegenover de demonen kwam te staan, maar zelfs dan remde het me niet af – de adrenaline nam alles over. Ik was sterk. Zelfverzekerd.

    Maar alles verandert als je de gevangene van een Nachtsluiper bent geweest.

    Ik ben veranderd, na die dag dat Annabelle me urenlang vast heeft weten te houden met onzichtbare ketens; na die dag dat ze Kay urenlang bezeten heeft gehouden en ze mij aankeek en mij toesprak met Kays ogen en Kays stem.

    ‘Jodi,’ hoor ik haar weer zeggen, ‘mijn kleine Slaapwandelaar.’

    Als ik huiver maken mijn schouders een schokkerige beweging. Ik probeer het gelijk te camoufleren door overeind te komen, zodat Kay niets aan me merkt.

    ‘Laten we gaan,’ zeg ik, waarna ik de rand van het dak beetgrijp, mijn benen eroverheen zwaai en me naar beneden laat zakken. Ik maak mezelf lang en laat me dan vallen. Ik land gehurkt op de grond en hoor de sneeuw kraken onder mijn schoenzolen.

    Kay landt naast me, nog geen seconde later, en praktisch net zo geruisloos als ik – had er geen sneeuw gelegen, dan had je ons niet eens gehoord.

    Hij recht zijn rug, kijkt nog één keer om zich heen, en loopt dan op het verlaten winkelcentrum af. Het centrum is de hele dag afgesloten geweest en dat zal het blijven, totdat de Nachtsluipers verdreven zijn. Voorheen had dat allang gebeurd, maar in het nieuws zeiden ze dat de Uitdrijvers het Nachtsluipernest nog niet hebben ontruimd, vanwege personeelstekort.

    Oftewel: ze redden het niet zonder de hulp van Slaapwandelaars in te huren, wat sinds het nieuwe jaar verboden is bij de wet.

    Ik aarzel even voordat ik Kay volg. Hij loopt van me weg, beweegt zich zo soepel en daadkrachtig als altijd. Als je hem zou zien, zou je niet denken dat hij een half jaar geleden hetzelfde heeft meegemaakt als ik. Hij lijkt zelfverzekerd en geen angst te kennen.

    Ik ben niet bang. Ik ben niet bang. Ik ben niet bang.

    Met opeengeklemde kaken trek ik mijn pet lager over mijn ogen heen en trek mijn schouders op, alsof ik me probeer te wapenen tegen de kou. Mijn leren jack houdt me echter warm genoeg, toch lopen de rillingen langs mijn rug.

    Ik ben niet bang.

    Ik trek een sprintje en Kay kijkt kort naar me opzij als ik naast hem kom lopen. Zijn donkere haar valt half voor zijn ogen, die me onderzoekend opnemen. Heel even lijkt het erop dat hij iets aan me wil vragen. Dan wendt hij zich weer van me af.

    We lopen om het gebouw heen, onze voetstappen knerpen zachtjes in de sneeuw, de weg leidt steeds verder omlaag en als we eenmaal bij de grote ingang van de parkeergarage zijn, blijven we staan.

    Het is er aardedonker; de Nachtsluipers hebben de garage opgeëist als hun territorium, dus de verlichting werkt niet meer. Daarom durven de Uitdrijvers het niet aan – hoewel ze hun licht hebben, kunnen ze in de hitte van de strijd ieder moment de controle verliezen… en in de duisternis hebben de Nachtsluipers het voor het zeggen.

    Kay en ik hebben als Slaapwandelaars echter minder moeite om te blijven zien; het licht van de nacht dat in de garage naar binnen valt, is voor ons praktisch net zo helder als daglicht.

    De parkeergarage is uitgestorven. Ik staar naar de pilaren, naar de grote cijfers op de muren, de afbakeningsstrepen op de grond. Er is geen auto en geen mens te bekennen. Ik zie ook geen Nachtsluipers. Maar dat zegt niets.

    Zonder wat te zeggen komt Kay weer in beweging.

    Voor een moment weigeren mijn benen dienst en willen mijn longen zich niet meer vullen met zuurstof.

    Kom op, bijt ik mezelf in stilte toe. Kom in beweging.

    Ik ben niet bang.

    Ik ben een leugenaar.

    Tijdens iedere missie ben ik in gevecht met mezelf. En per missie wordt het erger, hoeveel Nachtsluipers ik ook uitdrijf.

    Mijn bewegingen zijn houterig als ik weer begin te lopen. Ik volg Kay de parkeergarage in en voel mijn hart in mijn keel bonken. Kay houdt zich half schuil achter een pilaar en kijkt onderzoekend om zich heen. Ik zie hem fronsen als hij plots beseft dat ik niet vlak bij hem ben. Ik haast me naar hem toe-

    De zolen van mijn schoenen zijn nat van de sneeuw en maken een piepend geluid op de vloer.

    Het weergalmt tussen de muren, het is oorverdovend.

    En dan vlamt de pijn in mijn littekens op.

    Ze schrijnen, ze branden, ze doen me bijna ineenkrimpen.

    Ze waarschuwen me, voor de Nachtsluipers die plotseling tevoorschijn komen.

 

Lichtwandelaar SNEAK PEEK: 01. DRIE NACHTWANDELAARS

Er waren eens drie Nachtwandelaars die op zoek waren naar het licht. Ze deinsden niet terug voor de schaduwen en gingen de strijd aan met demonen, terwijl ze zochten naar de waarheid en droomden van wraak.

    Er waren eens drie Nachtwandelaars, genaamd Nina, Raphael en Owen.

    Talloze vragen vulden hun hoofd; littekens bedekten hun huid; licht vulde hun hart.

    Er waren eens drie Nachtwandelaars – en ik ben één van hen. Ik ben degene wiens hoofd vol zit met vragen, talloze vragen, waarvan ik niet eens zeker weet of ik ze wel beantwoord wil hebben.

    Maar mijn naam is Nina Morgan.

    En ik deins nergens voor terug.

+ + +

Iedereen is op de vlucht.

    De zon dreigt onder te gaan en schittert in mijn ooghoeken. De straten van Grant zijn druk, bijna chaotisch – auto’s razen over de wegen, scholieren rennen langs ons heen, mannen in pak en met aktetassen in hun handen haasten zich over de voetpaden. Ogen dwalen af naar horloges, of naar de grote klokken die aan de openbare gebouwen en wolkenkrabbers hangen.

    Ook wij hebben haast, maar niet om naar huis te gaan. Ik ben niet anders gewend – ik heb al heel lang geen thuis meer.

    De sneeuw op de voetpaden knerpt onder onze schoenzolen. We zijn een minuut of tien geleden gearriveerd in Grant. Toen we uit het ondergrondse metrostation kwamen, zei Raphael dat hij een bar kent waar dagelijks een contactpersoon van het Genootschap van de Nachtengelen te vinden is. Het schijnt dat ze daar, altijd aan het einde van de middag, geheime ontmoetingen hebben.

    Raphael loopt voor Owen en mij uit. Zijn gitzwarte, achterovergekamde haar zit verward en zijn lange, zwarte – en veel te grote – jas deint wild mee met zijn gehaaste stappen. Hij loopt met de daadkracht van iemand die precies weet waar hij naartoe moet, toch denk ik hem meer dan eens te zien aarzelen. Hij blijft achterom kijken en telkens als zijn blik de mijne kruist, krijg ik het gevoel dat hij iets wil zeggen.

    Hij wendt zich zojuist weer van me af en ik frons, terwijl ik met een zucht mijn pas versnel; ik ben kapot. Ik heb al ruim vierentwintig uur niet meer geslapen en kan bijna niet geloven dat ik gisteren nog in Somnus was, vandaag nog in Miller en nu alweer in Grant. Hoewel ik een dikke hoodie aan heb, begin ik het alsmaar kouder te krijgen. Als ik niet snel rust neem en ergens op kan warmen, raak ik misschien nog onderkoeld.

    ‘Raphael, hoe ver is die bar van je?’ vraagt Owen plots; zijn stem klinkt schor en rauw. En geïrriteerd. ‘De zon is praktisch al ondergegaan-’ Zijn adem stokt en ik hoor hem vloeken onder zijn adem.

    Ik kijk naar hem opzij en zie hem voor een zoveelste keer naar zijn ribben reiken; hij heeft ze vanmiddag gekneusd, tijdens het gevecht met de Nachtsluipers in het oude, geheime laboratorium van mijn vader. Owen is geen watje, dus ik weet dat zijn verwonding goed pijn moet doen – er is veel voor nodig om hem er zo ineengekrompen bij te doen lopen.

     Maar, zoals ik al zei, Owen is geen watje – dus hij zegt er geen woord over en loopt gewoon stug door. Hij ziet echter grauw en zijn bruine ogen staan dof. Zijn schouders lijken minder breed en hij lijkt minder lang te zijn nu hij ineenkrimpt. De ondergaande zon in de rode lucht werpt een gouden glans op zijn kortgeschoren donkerblonde haar en zijn legerkisten zakken met zware passen weg in de sneeuw.

    ‘We zijn er bijna,’ antwoordt Raphael na een stilte, op gespannen toon.

    ‘Nog even en alle winkels sluiten,’ merk ik op en ik kijk weer eens om me heen. Sluitingsbordjes worden haastig voor de deuren gehangen, luiken gaan dicht. De lantaarnpalen springen zojuist aan en ik knijp mijn ogen samen tegen de koplampen van twee zilveren auto’s die aangereden komen. Ze hebben allebei een embleem op de motorkap: een glanzende hoofdletter G.

    De Grant Academie.

    Iedere stad heeft zijn eigen Uitdrijveracademie en het is gebruikelijk dat de Uitdrijvers tijdens zonsondergang door de stad patrouilleren, voor het geval iemand in de problemen is gekomen en gered moet worden van een Nachtsluiper.

    ‘We zijn er bijna,’ herhaalt Raphael alleen maar. ‘Linksaf,’ voegt hij er dan aan toe en we volgen hem een smallere straat in, waar de zon geblokkeerd wordt door de gebouwen. Het is er donker, heiig en zo mogelijk nóg kouder. Ik klem mijn kiezen op elkaar om niet te gaan klappertanden.

    ‘Leg me je plan nog eens uit,’ begint Owen opeens en hij dempt zijn stem: ‘Stel dat we die contactpersoon van het genootschap vinden in die bar – wat dan? Jij bent toch weggelopen van de Nachtengelen? Zien ze jou dan niet als een verrader-’

    Raphael blijft zo abrupt stilstaan, dat ik bijna tegen hem op bots. Hij draait zich om en staart Owen aan met een blik die ik niet kan lezen. Zijn grijze ogen zijn donker in de schemering en ik ruik een vlaag van sigarettenrook. ‘Ik heb al gezegd dat we zullen moeten infiltreren,’ sist hij.

    ‘Infiltreren,’ herhaalt Owen sceptisch. ‘Dat heb je inderdaad gezegd, maar hoe zie jij dat precies?’

    Raphael slaat zijn armen over elkaar. ‘Zeg, ik dacht dat jij zo’n haast had om de bar te bereiken?’

    ‘Liever wel met een plan.’

    ‘Had je je vragenlijst niet eerder tevoorschijn kunnen trekken, Uitdrijver? De zon gaat bijna onder, de bar sluit ieder moment, en-’

    ‘Geef gewoon antwoord, Raphael,’ sis ik, terwijl ik nerveus de doodstille straat rondkijk, ‘en snel een beetje.’

    Zijn gezicht verzacht als hij naar me kijkt. Hij slaakt een zucht en een dampwolkje kringelt van hem weg. ‘Oké. Kijk, ik ben een Slaapwandelaar; in de ogen van het genootschap zijn Slaapwandelaars heilig. Dat heb ik jullie verteld. Mijn familie was dus allesbehalve blij dat ik vorig jaar ben weggelopen – maar dat betekent ook dat ze er álles voor over hebben om mij terug te krijgen. Ik ben… onmisbaar voor het genootschap.

    ‘Dus zo meteen in de bar zal ik de Slaapwandelaar uithangen die spijt heeft van zijn besluit om te vluchten en terug wil keren naar de Nachtengelen – en als een vredesoffer heb ik jullie met me meegebracht; twee potentiële nieuwe sekteleden.’

    Mijn hart mist een slag. Ja, vanmiddag heb ik ingestemd met Raphaels infiltratieplan. Maar nu ik hem het hardop hoor zeggen, dringt het pas echt tot me door wat infiltreren in een sekte precies inhoudt.

    Shit.

    ‘Nina en ik moeten doen alsof we ons aan willen sluiten bij het Genootschap van de Nachtengelen,’ zegt Owen toonloos.

    ‘Ja, natuurlijk. Wat denk je anders dat infiltreren inhoudt?’

    Owen zwijgt.

    ‘De bar is daar.’ Raphael wijst dieper de straat in. Hij aarzelt even, alsof hij weer iets wil zeggen, en zijn blik kruist de mijne. Dan draait hij zich om en loopt voor ons uit. Met een zucht komt Owen weer in beweging en ik zie hem grimassen. Ik loop ook weer verder.

    Ik voel me opeens niet moe meer, ik voel mijn spierpijn amper nog, want ik kan nog maar aan één ding denken: ik ga infiltreren in het Genootschap van de Nachtengelen, de sekte waar mijn moeder vandaan komt. Misschien zelfs mijn vader.

    Alle antwoorden die ik zoek liggen plotseling binnen handbereik.

    We stoppen voor een bar met vuile ramen waar kerstlichtjes omheen zijn gehangen en een houten bord boven de ingang, waar een dikke laag sneeuw op ligt. Voor ik kan lezen wat er op het bordje staat, draait Raphael zich plots naar ons om.

    ‘Luister naar me,’ zegt hij en misschien is het mijn verbeelding, maar zijn stem lijkt te trillen. Hij is veertien jaar oud, slechts een jaar ouder dan ik, maar opeens lijkt hij nog ouder te zijn dan Owen als hij ons één voor één aankijkt. ‘Wat er ook gebeurt, onthoud dat we aan het infiltreren zijn – dus blijf het spel meespelen. Wat er ook gebeurt,’ herhaalt hij. ‘Oké?’

    Ik bal mijn handen tot vuisten. Wil bijna knikken-

    ‘Nina.’ Owen legt een hand op mijn schouder. ‘We hoeven dit niet te doen. Je kan je nu nog bedenken.’

    Ik schud zijn hand van mijn schouder. ‘Waarom zou ik me bedenken?’

    Owen staart me aan en begint dan humorloos te lachen. ‘Omdat je je gezonde verstand gebruikt, misschien?’

    ‘Ik heb vragen. En het genootschap heeft de antwoorden.’

    Owen wrijft met zijn hand over zijn gezicht heen, buigt zich dan naar me toe en sist: ‘Het is een sekte, Nina. Hoor je me? Een sekte die Nachtsluipers aanbidt. Een sekte die hun eigen kinderen aanbiedt aan Nachtsluipers, zodat ze gemarkeerd worden tot Slaapwandelaars en “heilig” zijn. Besef je wel wat er met je kan gebeuren-’

    ‘Misschien leeft mijn moeder nog,’ kap ik hem af met opeengeklemde kaken. ‘En als ze nog leeft, dan weten zíj waar ze is.’

    Voor een moment kijkt Owen me alleen nog maar aan. Dan schudt hij zijn hoofd en wendt zich van me af.

    ‘Je hoeft niet mee,’ merkt Raphael op en hij klinkt bijna hoopvol als hij eraan toevoegt: ‘Nina en ik kunnen ook gewoon samen gaan.’

    Owen werpt hem een grimmige blik toe. ‘In je dromen.’

    Raphaels ogen vernauwen zich even, maar dan draait hij zich om en trekt zonder nog wat te zeggen de deur van de bar open. Na diep ademhalen volg ik hem naar binnen toe.

    Het is er schemerig verlicht en ziet er blauw van de sigarettenrook. Mijn ogen prikken en ik trek de kraag van mijn hoodie over mijn neus en mond om een hoest te smoren. Ik zie een kerstboom in de hoek staan – hij is echter helemaal bruin en er hangen nauwelijks ballen aan de takken – en kartonnen rendieren zijn met touwtjes aan het plafond gehangen. Het is stil in de bar; de meeste mensen zijn immers allang naar huis, op drie mannen na met versleten kleding, vette haren en sigaretten tussen hun vingers geklemd. De barman gebaart wild naar ze om te vertrekken. ‘Maak dat je wegkomt,’ bijt hij ze toe. ‘Donder op. Jullie zijn hier vaak genoeg blijven slapen!’

    Ik blijf staan en kijk naar het schouwspel. In veel openbare gebouwen hebben ze slaapplaatsen, voor als mensen niet op tijd terug naar huis kunnen voor de avond invalt; veel zwervers wagen er hun kans, om een nachtje veiligheid te krijgen.

    Drie jaar geleden, tijdens de eerste weken dat ik over de straten van Somnus zwierf, ben ik één van die zwervers geweest. De eigenaresse van een restaurant had medelijden met me; ik was een klein meisje van tien. Ze gaf me te eten, liet me overnachten.

    En de volgende ochtend hoorde ik haar aan de telefoon met de kinderbescherming.

    Ik ben er gelijk vandoor gegaan en heb nooit meer een stap gezet in de buurt van dat restaurant. Het laatste wat ik wilde was dat de autoriteiten zich met me gingen bemoeien; ik was uit Miller gevlucht om van mijn stigma af te komen. Ik wilde niet meer de dochter van professor Albert Lavigne zijn, de man die sympathiseerde met Nachtsluipers.

    Ik wilde niemand zijn; ik wilde de Nachtwandelaar zijn.

    ‘Ik bel de politie,’ dreigt de barman en hij trekt daadwerkelijk een mobieltje tevoorschijn.

    De mannen mompelen wat, eentje verontschuldigt zich. Owen trekt me opzij als ze langs me heen gehaast komen en ik kijk toe hoe de deur achter hen dichtvalt. Ik vraag me af waar ze nu naartoe zullen gaan. Of ze Nachtsluipers tegen zullen komen vannacht. Of ze de zonsopgang tegemoet zullen zien als gewone mensen – of als Slaapwandelaars.

    ‘We gaan zo sluiten,’ snauwt de barman opeens en ik schrik op. Hij trekt zojuist de theedoek die hij op zijn schouder had liggen van zich af en smijt hem op de toonbank. Zijn blik dwaalt over Owen, Raphael en mij heen en ik zie hem fronsen. Hij heft zijn kin iets op. ‘Hoe oud zijn jullie, jongens?’

    ‘Ik ben achttien,’ antwoordt Owen zonder te aarzelen.

    ‘Ja,’ zegt de barman langzaam, ‘dat geloof ik nog. Maar je vriend en vriendin hier zijn echt niet meerderjarig, jongen.’

    ‘We zijn hier niet om te drinken,’ zegt Owen.

    ‘Waarvoor dan wel?’

    Owen opent zijn mond – maar zegt niets. O shit. Wat als de barman eist zijn identiteitskaart te mogen zien? Dan ziet hij dat Owen geen achttien maar zeventien is, en dan gooit hij ons eruit en-

    ‘Ze horen bij mij,’ klinkt er opeens een lage stem.

    We kijken met een ruk opzij en ik trek mijn wenkbrauwen op als ik iemand in de schemerige hoek van de bar zie zitten, die me daarnet nog helemaal niet was opgevallen. Het is een vrouw. Ze lijkt een jaar of veertig. Ze heeft donker haar met slagen dat tot boven haar schouders reikt. Mager. Starre uitstraling.

    Ik heb haar nog nooit van mijn leven gezien.

    De barman kijkt van de vrouw naar ons en weer terug. ‘We sluiten over twee minuten,’ zegt hij slechts en dan begint hij de stoelen op de tafels te zetten.

    Owen en ik volgen Raphael naar de vrouw toe. Ik kijk toe hoe Raphael de vrouw begroet door zijn handpalmen en duimen tegen elkaar aan te drukken, terwijl hij zijn vingers spreidt en van elkaar af houdt.

    Het is het handgebaar van de Nachtengelen, precies hetzelfde gebaar dat mijn moeder maakte op de foto die ik vanmiddag van haar vond in het lab.

    De vrouw komt zwijgend overeind en groet terug met hetzelfde handgebaar. Nu we dichterbij zijn kan ik haar beter zien; ze heeft een hard gezicht met scherpe trekken, ijsblauwe ogen en kleurloze lippen. Ik kan aderen over haar handen zien lopen. Ik bestudeer haar nog eens beter. Hoewel ik zeker weet dat ik haar nog nooit eerder heb ontmoet, heeft ze toch iets bekends.

    Ik hoor Raphael beverig inademen.

    ‘Hallo… moeder,’ zegt hij schor.

    Ik kijk op en wissel een blik met Owen, die me net zo verbaasd aankijkt. Ik wend me terug tot de vrouw. Daarom komt ze me zo bekend voor; ze lijkt op Raphael. Ze hebben dezelfde bleke huid, dezelfde gelaatstrekken.

    Wist Raphael dat hij zijn moeder hier zou treffen?

    ‘Raphael,’ zegt ze met haar lage stem en ze staart naar haar zoon met een onbewogen gezicht.

    ‘Moeder,’ herhaalt Raphael weer en hij schraapt zijn keel. ‘Het is een… tijd geleden.’

    Ze neemt hem van top tot teen op. ‘Ja,’ antwoordt ze slechts.

    Raphael haalt diep adem. ‘Ik ben een jaar geleden weggelopen. Ik heb mijn familie in de steek gelaten-’

    ‘Dat heb je inderdaad,’ zegt ze koeltjes.

    ‘Ik… Ik weet nu dat ik een fout heb gemaakt,’ gaat Raphael verder en als ik niet beter zou weten, zou de berouw in zijn stem me doen geloven dat hij het écht meent. ‘Ik wil terug naar huis komen. Terug naar mijn familie. Ik zoek vergeving; en daarom heb ik Owen Radcliff en Nina… Morgan meegebracht.’

    Mijn gezicht verstrakt even; hij had bijna mijn echte naam gegeven.

    ‘Ze willen zich aansluiten bij de Nachtengelen,’ voegt Raphael er op fluistertoon aan toe.

    Raphaels moeder laat haar blik over Owen en mij heen dwalen. Haar ogen blijven vervolgens op mij rusten. Ze blijft naar me staren, zonder ook maar iets te zeggen, en ik voel mijn hartslag versnellen. Waarom kijkt ze zo naar me? Herkent ze me? Lijk ik op mijn moeder?

    Als de barman zijn keel schraapt wendt de vrouw zich eindelijk van me af. Ze werpt een blik op de barman. Dan pakt ze haar whiskyglas van de tafel en gooit de laatste slok achterover. Ze slikt hoorbaar.

    ‘Mijn naam is Vivian Fleming,’ zegt ze, waarna ze de kraag van haar jas hoog optrekt, ons kort aankijkt en dan langs ons heen loopt. ‘Volg mij.’

 

Release in 2019

Zowel Somnus als Lichtwandelaar zal in 2019 uitkomen als hardcover, paperback en eBook. De release van Lichtwandelaar zal eerst komen, en daarna Somnus. (Helaas heb ik momenteel nog geen datums, maar zodra ik ze heb laat ik het direct weten hier op mijn blog!)

Natuurlijk mag je zelf helemaal weten in welke volgorde je de boeken leest, maar als de schrijfster (jazeker!) raad ik mijn lezers deze volgorde aan: Insomnia, Nachtwandelaar, Lichtwandelaar en dan Somnus.

De Slaapwandelaar Duologie (Insomnia + Somnus) en de Slaapwandelaar Miniserie (Nachtwandelaar + Lichtwandelaar) zijn in feite los van elkaar te lezen, maar als je de boeken in de bovenstaande volgorde leest, zal je zien hoe bepaalde verhaallijnen in elkaar grijpen – als je Lichtwandelaar volgend jaar eerst leest, zal je al een klein beetje inside information hebben voor Somnus 😉

Ik kijk echt enorm uit naar de releases van volgend jaar en ik hoop jullie ook!

Daarnaast hoop ik ook dat jullie de Insomnia Saga Maand met plezier hebben gevolgd; ik heb alle artikelen dan ook met veel plezier geschreven en met jullie gedeeld! Ik hoop dit volgend jaar nog eens te kunnen doen en dat jullie er weer bij zullen zijn 🙂

Wat vond je van de sneak peeks van Somnus en Lichtwandelaar? Laat het me weten! 😀

– Lynn

Posted by Lynn Robin

4 comments

Leest weer lekker. Spannend!

Dank je! Fijn om te horen! <3

WOW!!! Somnus + Lichtwandelaar: Dat beloofd wat 🙂
Allebei de ‘sneak peaks’ gelezen en kom maar tot 1 conclusie: IK WIL VERDER LEZEN! 🙂

Oooh, wat leuk! 😀 Ik zal hard door schrijven, haha!

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.